De volgorde waarin ik de werken lees, lijkt misschien wat willekeurig, maar er zit wel degelijk een logica achter: ik lees van jong naar oud en dan eerst alleen de Nederlandse literatuur en als ik bij het oudste werk ben, ga ik van oud naar jong terug met alle Vlaamse werken. Of nou ja... ik sla de werken over die ik al gelezen heb. Daar ik Oeroeg, Het achterhuis, De avonden, Parken en Woestijnen, en Elias al gelezen had en de rest uit België komt, was ik nu aangekomen bij 'Nieuwe gedichten' van Martinus Nijhoff.
Het is dus weer een dichtbundel en dat vind ik helemaal niet erg. Wel was het lastig om aan de bundel te komen. De enige manier lijkt haast wel om aan 'Verzamelde gedichten' te komen, waarin de bundel in zijn geheel is opgenomen. Toch ergens wel jammer dat het zo moet. Ik zag dat dat verzameld werk in de bibliotheek van Oegstgeest stond, maar om logistieke redenen heb ik toch maar de digitale versie van de DBNL gedownload.
Van Nijhoff kende ik al wel wat gedichten, onder andere 'De moeder de vrouw' en 'Awater' (behandeld rond 2014 tijdens mijn studie Nederlands) en laten die nou net in deze bundel staan! Ik vind het leuk om oude bekende gedichten opnieuw te lezen maar nog leuker was dat ze nu in een context stonden. Als je de bundel van voor naar achter leest, kom je toch meer te weten over de dichter en dit vormt hoe je het gedicht tot je neemt.
Een thema is namelijk - ja, alweer - de dood van moeder en broer. Martinus Nijhoff droeg de bundel aan hen op. Het gedicht 'De moeder de vrouw' heb ik daardoor anders gelezen: de laatste strofen van dit sonnet over de nieuwe brug bij Zaltbommel waren me nooit echt bijgebleven, maar wetende dat zijn moeder was overleden en zij nog veel in zijn gedachten is, vond ik dit gedicht ineens veel mooier.
Hij beschrijft namelijk dat er een schip onder de nieuwe brug vandaan komt met een vrouw erop die psalmen zingt: "Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren." Hij stelt zich voor dat dat zijn moeder is en dan komt die zangregel toch heel anders over: ik ben er niet meer, maar God zal je beschermen.
Ook uit Awater heb ik meer kunnen halen door de context van de overleden broer. Toch merkte ik ook dat ik het bespioneren van de dichter niet vreemd meer vond, omdat ik dit inmiddels (in het laatste gedicht van de bundel) als een persoonlijkheidskenmerk van de dichter ben gaan zien. Ik had hem al eerder leren kennen als observerend, dromerig, zich realiserend, schrijvend over het schrijven, schrijvend over het nu, soms met een luchtige, bijna huiselijke grap.
Als laatste wil ik het gedicht 'Het veer' benoemen over Sebastiaan die, vlak nadat hij gestorven is, de pijlen uit zijn dij en borst trekt en een nachtelijke omzwerving maakt. De omschrijvingen spreken tot de verbeelding en brengen je eerst terug naar lang geleden - de heilige Sebastiaan leefde in de derde eeuw na Christus - en dan naar 1934 omdat er toch auto's en een veerpont blijken te bestaan. Dat voelt opeens schokkend nieuw, terwijl dit toch bijna een eeuw geleden is. Wat indruk op me maakte is hoe dichtbij dat 1934 voelt. Alledaagse dingen worden even aangestipt: de voertuigen, de dieren die je hoort, de man en vrouw die je ziet als je bij een huis naar binnen kijkt en wat hij vasthield en waar zij naar keek.
Er valt nog veel meer over dit gedicht te zeggen, misschien wel minstens zoveel als over Awater. Zoals eigenlijk altijd met een gedicht, vind ik dat je het vaker moet lezen, rustig aan, en dan kijken wat het met je doet. Misschien in 2034 weer.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten