woensdag 27 mei 2026

De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje - Nescio (1918)

 Volgens mijn lijst van gelezen boeken zou ik 'De uitvreter' al in 2014 gelezen moeten hebben, maar ik kon me er tijdens het herlezen niks van herinneren. Er ging niets dagen. Ik besloot aantekeningen op te zoeken in een van mijn collegeblokken van mijn bachelor Nederlands en toen kwam ik erachter dat de literatuurdocent (Bram Ieven) ons dit verhaal destijds alleen maar had laten lezen om verschillende vertelperspectieven mee uit te leggen. Het begint met een ik-verteller. Die verdwijnt en komt pas weer terug in deel III en vanaf deel IV is het een getuigeverteller (specifieke vorm van ik-verteller waarbij de verteller zelf ook aanwezig is in het verhaal, maar niet echt deelneemt aan de gebeurtenissen).

Nou ja, oké. Ik vind dat nu niet het interessantste van het verhaal, maar ik vind het wel slim van de docent om klassiekers in te zetten voor de uitleg van verhaaltechniek. 

Een zandkasteel uit de losse pols
Hoe ik nu kijk naar het wisselende perspectief is toch wel een stuk nuchterder: Nescio schrijft erg natuurlijk en waarschijnlijk ook erg realistisch danwel steunend op realistische gebeurtenissen. Het is net alsof hij het verhaal eerst compleet uitdenkt - als het al niet echt gebeurd is - en er dan over gaat schrijven. Het lijkt niet gecomponeerd, maar eerst beleefd en dan verteld. Zo was het nu eenmaal noodzakelijk dat de verteller eerst niet deelnam aan de gebeurtenissen en later wel. Zo liep het gewoon!

Het verhaal 'De uitvreter' gaat namelijk over Japi, een bijzondere man zonder werk die bevriend wordt met een van de maten
van de verteller. Waar hij op visite komt, eet hij de boel op en hij "leent" zelfs jassen of schoenen om ze vervolgens te laten verdwijnen. Iedereen laat het maar een beetje gebeuren, misschien uit beleefdheid, misschien uit ongemak. 

Het begin van de kennismaking met deze uitvreter speelt zich af tussen die maat, genaamd Bavink, en Japi zelf. Daar was de verteller niet bij. Je concludeert als lezer dat de verteller deze verhalen van Bavink heeft gehoord. Later komt Japi, onder andere na een ruzie met Bavink, ook de voorraadkast van de verteller uitvreten, waardoor die noodzakelijkerwijs onderdeel van het verhaal wordt. 

We kunnen er dus allerlei literaire mechanieken op los laten, wat best interessant kan zijn, maar ik vind dat bijna een soort heiligschennis, omdat deze drie verhalen (ook Titaantjes en Dichtertje) zo puur geschreven zijn. Het voelt alsof de vertelperspectieven per ongeluk zo ontstaan zijn en niet met voorbedachten rade gecomponeerd. Ik zie het als een puur, uit de losse pols gecreëerd zandkasteel, dat even mooi blijkt te zijn als een maaksel uit een voorgevormde emmer-mal.

Maar goed, eigenlijk weet ik te weinig over Nescio en de literatuur rond 1900 om hier echt een getrouwe uitspraak over te doen. Op dit moment vallen bovendien de mussen van het dak waardoor mijn energie om me in dit thema te verdiepen ook uitblijft. (Ik schrijf dit vooralsnog voor mijn plezier. :) )

-i als hij
Dus ik wil het graag gaan hebben over iets taalkundigs dat me opviel in deze drie verhalen: de schrijfwijze van de voornaamwoorden. Die worden namelijk opgeschreven zoals ze - neem ik aan - werden uitgesproken: haar -> d'r, het -> 't, hem -> 'm, en het interessantste: 'hij' wordt 'i' behalve aan het begin van een hoofdzin of als er nadruk op ligt. Soms staat daar een koppelteken voor of is de 'i' aan het woord ervoor gesmolten door enclisis. Wat voorbeelden: 

"Een heelen zomer had Bavink in Zeeland geschilderd. In Veere had-i Japi voor 't eerst gezien." (De uitvreter)

"Maar daar i een echt dichtertje was, moest hem iets ontbreken. Wat is voor een dichtertje iets dat hij heeft? Datti zoo maar heeft, dag in, dag uit." (Dichtertje)

Dit komt tegenwoordig nog steeds voor in de Hollandse spreektaal, maar nu schrijven we dan meestal '-ie' of alsnog 'hij'. Soms echter schrijft men nu in zo'n situatie 'die' maar dit boek bewijst maar weer (als je het nog niet wist) dat dat historisch onjuist is.

Die ie-klank komt namelijk van 'hie', geschreven als 'hij' zoals we het nu nog kennen. In veel gevallen is de ie-klank een tweeklank geworden (ej of aj) maar dus niet in gevallen als: "Hoe weet -ie dat nou?" Misschien komt dat doordat de ie-klank korter en daardoor makkelijker is dan de ij-klank. Net zo is 'ze' makkelijker dan 'zij': "Hoe weet ze dat nou?" 

Hoe komen sommige moderne mensen dan bij het idee dat je 'die' zegt in "Hoe weet -ie dat nou?" Afgezien van dat 'die' een bekend woordje is en het daardoor logisch voelt, zien we het antwoord ontstaan in de verhalen van Nescio. Kijk wat ik bijvoorbeeld aantref in Titaantjes:

"Daar wilde-n-i stilletjes wonen en maar afwachten wat God met 'm voorhad."

Een 'n'! De naam van zo'n opvulconsonant weet ik even niet meer, maar ik meen me te herinneren dat deze simpele n-achtige klank (volgens mij is het eerder een soort tap-r) vaker wordt toegevoegd in spreektaal, waarschijnlijk omdat we in het Nederlands nou eenmaal graag een onset/aanzet willen in een lettergreep. Ik zou bijvoorbeeld ook kunnen zeggen:

"Hij zei dat we-n-'m vergeten waren."

Als er ergens '-ie' of 'i' staat waar er 'hij' bedoeld wordt, is dat dus geen 'die', ook al klinkt het allemaal bijna hetzelfde. Wat het allemaal nog verwarrender maakt, is dat er tegenwoordig ook non-binaire voornaamwoorden de ronde gaan waaronder een volle 'die', maar dat is weer een heel ander verhaal. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten